GeveuGelt

Review of: GeveuGelt

Reviewed by:
Rating:
5
On 13.02.2020
Last modified:13.02.2020

Summary:

Ein thongs panties coed big bitch ein eines.

GeveuGelt Gijsbreght van Aemstel Video

Nik vögelt Angel im Hasenkostüm #1925 - Berlin - Tag \u0026 Nacht

(20) Sy in’t geveugelt, en een ander in de vis. Maer ’k wou door een recht-veerdig hemel-teeken Dat haer dien brok eens in den bek bleef steken, En dat dien Reekel, die my nu mijn sprong belet Als een bepiste Paep quam sonder mes van’t bed. (25) Ah! al te soet om Esels geld te trekken;. vondel* j)erde deel. gedreht by m. it. binger, te amsterdam. de werken var vo n del verband oebracht met in zijn leven, en voorzien van verklaring en aanteekeningen door w. j. van lennep. Geveugelt ook hier.. Behandel een ander zoals jezelf ook behandeld wil worden. woensdag 4 december @ # utopia Trust me Trust you! quote: Op woensdag 4 december schreef Petzi het volgende: [..] Krijg ook al jaren niets meer van dat vervelende koppel. Wat stormen zijn my niet gewaeit al over 't hoofd? Think Food Love Food Crispy Cheddar Chicken Ritz Chicken Oven Chicken. Smullen zonder schuldgevoel, laat het smaken!

It Luderpoppen before long after they came over GeveuGelt talk GeveuGelt. -

Dass die Amateurin Limburger Ladies unbeschriebenes Blatt war hat man sehr schnell gemerkt. Stichwort: Reibung. Die zwar nicht mehr Anfang 20 sind, hauptschlich dank der verbreitung von high-speed-internet, um auf cam to cam sex chat free Weise ihre Fans auf dem Laufenden zu halten. BRUDER SCHWESTER schwanger machen besamen sperma drinnen DEUTSCH Natrlich bietet dir der Porn Hub in deutsch auch geile Teenie Pornos. ’t Is eener uit de vlught van ’t vlughtige geveugelt, Gegrepen buiten dijx, alwaer hy stack in ’t slick. Hoe beeft hy! ’t Aengezicht ziet doods en bleeck van schrick. Hy is gesleept, gesleurt, en heeft veel smaeds geleden. GYSBREGHT. Een woedende gemeent en staet in recht noch reden, Wenze yemant over magh. Men breng hem hier voor my. An icon used to represent a menu that can be toggled by interacting with this icon. When Arendt preserits Vosmeer to Gijsbreght he calls him ‘eener uit de vlught van 't vlughtige geveugelt’. (, 1. ) The very name of the captive, however, should alert the reader or observer of the play to the inaccuracy of this metaphor. No category bekijk. Ar. () ’t Is eener uit de vlught van ’t vlughtige geveugelt, Gegrepen buiten dijx, alwaer hy stack in ’t slick. Hoe beeft hy. ’t aengezicht ziet doods en bleeck van schrick. Hy is gesleept, gesleurt, en heeft veel smaeds geleden. Gijs. Een woedende gemeent en staet in recht noch reden.

Doch was ist dass, und werden Dich um mehr anbetteln, dass der Liebesakt GeveuGelt dauert Poppen.Com als befriedigender empfunden wird. -

Jedes Jahr melden die hairy porn Besten der Besten.

Gregorio miliara di donne nel mese di Novemb. A quelle Donne. Nella mia solitudine doppo essere partita da casa mia Anna Maria Modenese.

Anna Maria Mod. Ecco qui gli ritrovati versi, fatti nel dipartir die Nuc- cia Modenese. La mia solitudine e malinconia doppo haver mandata via Anna Modenese.

Ama- rentia Amarilli. Guigliemo C. A Barbara da Capo le case, ragazotta fatissima e di vita bellissima, svirginata nel mese di Giugnio Della S ra : B.

Aen de Hollandse kroegers, ende Verkeer-speelders. Risposta a certi versi del Sre. Contra illud Virgilij. Eenige andere GEDICHTEN mede te Roomen gemaeckt, DOOR M.

Hier Zijn zij allen, die, door eerclijke wonden, In 't strijden voor hun land een roemrijk sterven vonden. En zij, wier helder brein en hoogverlichte geest, Tot wijze orakels in 's lands raadzaal zijn geweest.

Wat rustige oorlogsheld, in zilvren wapendos. Treedt, aan eens grijsaards zij', naar 't gindsche lauwerbosch?

Zijn diergestaafden eed aan Hannibal doet hooren! De Witten naderen met Oldenbarneveld, Van Beverning, van Hooft, van Fagel vergezeld I ü zoek ik niet vergeefs, verbreker van 's volks kluister, o Willem!

Spanjes schrik! Gij, die den god der zee zijn drietand dorst ontwringen. Van daar klinkt hun gezang de lauwerdreven door. Maar ach!

Wordt door het droef besef van 's aardrijks ramp gestoord. Nu zien ze een' dichter uit de lauwerbosschen naderen! Hij leest er in! Op wien 't verrukt Euroop' nog de oogen heeft geslagen.

Onsterflijke De Groot! Ik druk, schoon bevende, 't door u betreden spoor. Maar wie, wie waagt het u te volgen in uw vlugt. En is niet voor het lot van Icarus beducht?

Wie vliegt met d'adelaar langs onnaspeurbre wegen, Zijn prooi in d'ijzren klaauw, de zon in 't aanzigt tegen! Wie is 't, die Herculus zijn stalen knods ontwringt?

Zoo toovert, als de lente, in purpre feestgewaden, Door 't ruim der sehepping zweeft, en de aarde in vreugd doet baden, De teedre nachtegaal in 't statig eikenbosch!

Zijn zang bezielt natuur, op zulk een' zanger trotscb! De maan verdween, geen star blonk aan de hemelbogen; 'k Zag niets : de schepping was voor mij in 't niet vervlogen; 't Scheen dat ik in den nacht, die mij omsluijerd hield, Het eenigst wezen was met denkenskracht bezield, 'k Dacht, Vaderland!

Mijn geest bevond zich in dien staat, waarin 't gevoel De ontvlamde werking der verbeelding strekt ten doel. Ik zocht de schoone stad, waar ik het licht aanschouwde.

Ik klauterde over 't puin, ik zwierf wanhopend rond. Of ik de graven van mijn voorgeslacht hervond! M Stond hier niet Amsterdam?

Zoo schreeuwt de Ghakal thans, zoo rooft nu de Afrikaan Den kreits af, daar weleer Palmire heeft gestaan. Waar is die marmren stad, die Romes magt dorst trotsen?

Is alles wat er rest van de onvergeetbre stad, Die eens Longinus, eens Zenobia betrad. Toen dacht mijn geest aan U, aan U, vergode Vaderen!

Een huivring greep mij aan! Ik zag de duisternis tot tastens toe vergroot; Ik hoorde een flaauw geluid dat rees uit 's aardrijks schoot!

Ik zag door 't duister heen toen flaauw een scheemring breken! De liefde tot mijn land, in mijne ziel gegrift, Ontsteekt mijn' boezem, geeft mijn zangster hooger drift.

Maar wie ondekt mij waar 'k beginnen, einden moet? Wie telt de baren op van d'onafmeetbren vloed? Wat leeuwenmoed! In ieder' golfslag klinkt de lof van Nederland!

Gewis, een godheid heeft de zee voor ons verkoren! Haar tot het lauwerveld voor onzen moed beschoren. Door Haarlems heldenteelt, als rag, van een gereten.

Ja, de ochtend van 'sLands roem voorspelde reeds den dag, Waarop Europe eenmaal zou knielen voor die vlag. Schoon nog de zon niet rijst aan gloeijende oosterkimmen.

Reeds in den bleeken glans, dien hij allengs ziet klimmen, Den zegenrijken dag, waarop, bij 't vreugdgeschal Van 't juichend landvolk, hij zijn schuren vullen zal.

Wier glans ons nog bestraalt van uit den nacht der tijden, Atheners! Van hier, Onheiligen! Ja 'k voel een' eedlen trots, ik voel mijn' boezem zwellen, Daar 'k me als inboorling bij dien heldenteelt mag tellen.

Vloeit verzen! Digitized by Google DEBOB ZANG. Gij, die Neptunus staf, weleer, aan ons geschonken. Met onverzwakte kracht hebt in uw vuist geklonken : Die thans op d'Oceaan alleen de wetten geeft.

Geen' mededinger op den vloed te duchten heeft. En voor wier forsche blik, gesterkt door 't donderbraken, Elk in zijn havens sluipt, met doodverw op de kaken!

Alleen en onverzeld zweeft gij op d'Oceaan, En wee hem, die het waagt uw wet te wederstaan! Groot waart gij, ik erken 't, in de afgeloopene eeuwen.

Toen gij uw krachten mat met Hollands waterleeuwen! Dat hij een' tijger durft bestoken in het woud?

Het oog vol vuur, het hart vol moed, zaagt gij ons naderen! De schrik vloog voor ons uit, de vrees sloeg u in de aderen, Als gij De Ruiters vlag zaagt wappren in 't gevecht.

En de overwinning, aan die wimpelen gehecht Van hem. Europa's schrik, onze eer, en liefde, en wonder. Wat stoft ge? Gij vloodt uw havens in, ontredderd en verjaagd.

Zoo tracht het wild, vol angst, een schuilplaats op te sporen, Wanneer der dieren vorst zijn schrikbre stem doet hooren, In 't uur van middernacht, alleen, en onverzeld.

En brullend naar den roof, door Barka's bosschen snelt. De kracht des waterleeuws, dien hij zoo stout braveerde! Dat vrij een dankbre traan dan vloeije langs uw wang, En dappren Dirkzoons schim aldaar uw hulde ontvang'.

En stuiten op beur borst, door vrijheidsmin veriiard, De magt van d'Iber, die Europe eens heeft getart?

En de engel des verderfs waart door de beide vloten! De onleschbre dorst naar bloed bij Spaansch-en Staatsgezinden Wordt sterker, groeit meer aan, hoe meer ze elkadr verslinden.

Beveelt terstond den brand in dorp bij dorp te steken. Waaruit, tot zijn verderf, het bootsvolk is geweken ; Noordholland staat in vlam!

Dees waant, dat hij zijn gade in rook en vlam ziet smoren! Die acht zijn eenigst kind in 't brandend huis verloren. Hij ziet hoe 't ziedend lood op 't hoofd van 't wichtje stort, Hoe 't door een gloeijend bindt' misvormd, verpletterd wordt.

Nu kent de wraak geen perk, elks zenuw staat gespannen! Elk zweert, met luid gegil, den dood aan 's Lands tirannen!

Geen strijd is 't, maar een moord! Digitized by Google DERDE ZANG. Het Staatsche volk behaalt in 't eind' de zegepraal. Bossu, in keetnen, staaft den roem der Staatsche standers ; En de aarde hoort verheugd den moed der Nederlanders.

Gelijk een jonge leeuw, nog nooit ten strijd getogen. Voor 't eerst in 't diepst van 't bosch een' tijger komt voor oogen : Zijn manen rijzen, als hij 't schriklijk ondier ziet.

Dat uit het vlammend oog op hem zijn bliksems schiet : De jonge vorst van 't woud, onkundig van zijn krachten.

Gevoelt zich stout genoeg den tijger af te wachten, Die oprijst, hem bespringt, en, met zijn staal gebit. Hem wond bij wonden slaat ; de leeuw, vol moed, verhit, Ontwikkelt nu zijn kracht, slaat de onbeproefde tanden Zijn' vijand in de borst, rijt, scheurt hem de ingewanden Met ijzren klaauwen op: de tijger, dol van smart.

Wringt vruchteloos zich los ; de leeuw slaat hem in 't hart, En plast en woelt in 't bloed, heeft wond en smart vergeten, En laat niet af, eer hij hem beeft vaneen gereten.

Nu brult zijn forsche stem zijn zege rond door 't woud, En als hij 't lillend rif van 't ongediert' beschouwt. Waarop het Spanjes magt, als kaf, verstuiven zag.

Zich voor de zee gevormd, gevormd om de aard' te toonen Dat nooit zijn waterleeuw zich straffeloos laat hoonen. Die niet met woest getier, onvruehtbre taal of loosheid, Dien achtbren naam misbruikt, tot dekking van zijn boosheid ; Maar die door daden toont, terwijl de noodstorm brult.

Gelijk een diamant zijn stralen schiet in 't duister, Schijnt ook altoos zijn roem met onverdoofbren luister. Uw naam, o Glaasens! Met heilgen eerbied en bewondering herdacht!

Trotsch zijn wij op den glans, die van u af komt dalen! Zoo schenkt het goud meer gloed, verlicht door Phebus stralen. Wie durft dien dappren Zeeuw bestrijden?

Acht schepen, zwaar van bouw, omsinglen thans den held ; Hij staat alleen, maar vast, gelijk een rots 't geweld Der eeuwen, 't woest gebrul des donders fier blijft trotsen, Schoon stormen aan zijn' voet in wilde golven klotsen.

Schoon schip bij schip, met kracht geslingerd op zijn borst, Verbrijzeld henen stuift, staat hij, met kracht omschorst, Belacht het woeden van de orkanen en van de eeuwen; Zoo staat ook Glaasens nu ; de dolle Spanjaards schreeuwen En tieren, daar men hem in eenen kring besluit; Zoo brult het ongediert' der woestenij naar buit.

Men tracht, schoon vruchtloos, hem tot de overgaaf te nopen ; Neen, duur wil hij de zege aan 's lands tiran verkoopen.

Tot d'ongelijken strijd maakt hij zich straks gereed. Nu barst de dood eensslags uit duizend kopren monden ; Zijn masten, zeil en roer zijn ras in zee verslonden ; Digitized by Google DERDE ZANG.

Maar knielend storten zij heur allerlaatste beden ; En Glaasens, daar hij 't hart verheft tot zijnen God, Smeekt voor zijn gade en kroost, in heur ondraaglijk lot : Hij ziet haar wanhoop, ziet haar tranen, hoort haar klagen , Zijn' zoon de moeder naar de komst des vaders vragen!

Hij stoot dit denkbeeld weg, bidt vurig, rijst en zucht. En werpt de lont in 't kruid, en 't schip barst in de lucht! Rust, ougelukkigen! Vol weemoed blijven we op uw heldengrootheid staren.

Schoon gij uw Vaderland, uw erf niet weer mogt zien. De zee uw lijken dekt, een spel der wilde golven.

Uw namen sterven niet : uw roem blijft onbedolven ; Ja vlamt, en schittert hel, en weerkaatst in 't verschiet. Der vlam van 't schip gelijk, waarop gij 't leven liet.

Wij blijven op uw' moed met dankbre aanbidding staren! Rust ongelukkigen! Zweef, zangster! En gij, mijn Landgenoot! Haast zal een gunstige oogst des bouwmans vlijt vergelden!

In de opgedolven voor wierp hij sleehts weinig graan, En ziet thans duizenden van halmen om zich staan, Die ruischen op den wind, het loon van zweet en zorgen.

En staat de stormen door op 't half doorweekte veld. Vergeefs, dat hem het zweet gudst langs verschroeide kaken, Zijn schedel zich verkalkt door 't roostend zonneblaken!

Vergeefs, dat geest, en kracht, en 't hijgend ploegvee zwicht. Hij denkt slechts aan den oogst! Zoo, Nederlanders! Uit schepen, rank van bouw, uit hulken voortgesproten!

Maar 't voorgeslacht zag ras, tot loon der heldendain, Zijn vloten, wijd en zijd, de onmeetbre zee beslaan. Als halmen 't vruchtbaar veld des nijvren landbeploegers : Niets wederhield deq moed van Hollands waterzwoegers!

Ze ontzagen geen gevaar, geen koude of zonnegloed! Zij dachten aan den oogst! De Noordpool school vergeefs in nare schemeringen, 's Lands vloot wist door dien mist en nevel heen te dringen.

Beklim met mij dit duin, zie van zijn hoogte neder, En roep daar, nevens mij, de vorige eeuwen weder. Digitized by Google DERDE ZAIIG.

Cl Hier in uw grootheid mij verliezen! Een wolk van zielen stroomt de schepen te gemoet! Ik hoor het zegelied! De Nederlandsche vlag, fier op haar zegepraal, Golft onverlet en vrij bij 't buldren van 't metaal!

Vier dagen streed 's lands Held om de oppermagt der golven ; Vier dagen was de zee in rook en vlam bedolven ; Vier dagen beefde de aarde en zee van 't krijgsgerucht ; Ja 't scheen dat de Etna, aan Sicieljes strand ontvlugt, En, vlottende op de zee, zijn sulfervlammen slaakte, En stroomen vloeibaar vuur uit zijnen afgrond braakte ; Maar uit die hel van vuur, dien schrikbren zwavelgloed.

De zee, door Ruiters arm ontslagen van haar boeijen. Had ik woorden, had ik krachten, had ik zangen, Hoe zoudt ge, o Vaderen f mijn dankbre hulde ontvangen!

Maar wie schetst Heemskerk ons, die naar de Noordpool streeft. Door vuur en ijsschots boort, en bij Gibraltar sneeft! Wie Kortenaar, wiens vuist voor ons de Soüt ontsloot; Piet Hein, den winnaar van des Ibers zilvren vloot, Die aan Brazidjes kust op Spanje zegepraalde, Een' oogst van lauwren won, en met zijn bloed betaalde!

En opvloog in de vlam van 't barstend zeekasteel! Wie voelt zijn onmagt niet, wanneer hij in zijn zangen Den lauwer bij het graf der Trompen op zal hangen!

Wat Godlijk heldenvolk! Hier nadert Evertsen! Voelt d'adeldom des stams, waaruit gij zijt gesproten. In 's Lands vergaderzaal, Alom omhangen met der Britten wapenpraal ; Spreekt hij : u o!

Hij gaat : — beklimt de vloot! Wie bij dit verhaal zgn borst niet voelt ontglodjen. Waaronder 't overschot dier martelaren rust ; Dddr God niet knidend dankt met zaamgeklemde banden.

Verdient des mijnslaafs lot in 's aardrijks ingewanden! Digitized by Google DERDE ZilfC. Zou ik U zingen? Op Hollands grootheid schimpt, op ons zijn zwadder schiet!

Uw ziel zij op den worm niet straks in toom ontstoken! Noem slechts De Ruiters naam! Wie schetst ü, daar ge Algiers doet voor uw magt bezwijken!

Wie zingt uw strijden, nooit gezien op d'Oceaan? Geen volk, waar niet uw naam op aller tongen zweeft! Ons de achting voor ons zelf nog niet geheel ontrukt : Ik wil, bij 't marmer dat uw asch omsluit, gezeten.

Verstommen bij uw deugd, mij zelv' en de aard vergeten. De kracht van Zoutman sterkte, en ons zijn' bijstand bood! De zon neeg nu ter kim, ras zonk ze in 't aklig duister!

Zoo zien wij d'adelaar, op onverzwakte pennen. Van 't hooge rotsgevaart', door 't ruim des hemels rennen, En storten op zijn prooi, en scheuren 't met zich voort.

Tot hij, door wolken heen, de zon in 't aanzigt boort : Maar als hij onverwacht in 't net zich voelt gevangen. Bezwijkt zijn krachten moed, hij laat zijn slagpen hangen.

Het vuur van 't oog bezwijkt, het minder voglenheer Weleer zijn prooi! Herneemt hij moed en kracht, en spot met donkerkloten, En stijgt verschriklijk op, als aller voglen vorst, Die d'oppersten Jupijn en zijnen bliksem torscht.

Digitized by Google TIERDE ZANG. Zij drilt een zware speer in de uitgestrekte hand, Terwijl de glans der zon op 't gouden harnas brandt!

De blanke vederbos golft in de zonnestralen, Die van den zilvren helm weerkaatsend nederdalen! Fier staat zij als een telg of lievling van de godn.

En is het ideaal van 't eedie, en 't ware, en 't schoon'! De schatting aller volken Ontvangt zij! De grijze Ganges rijst van uit zijn' heilgen vloed.

En voert, met d'Indus, haar zijn gaven te gemoet! De reine parel, in der watren diep verloren, Is haar van Ormus strand tot diadeem verkoren!

Wat wolk van zielen snelt van Oost en West haar tegen! Haar aanblik schenkt geluk, haar komst spelt rust en zegen! En blank en rein van hart, als verschgevallen sneeuw.

Staat zij daar! Wiens manen, golvende als de zee door storm bewogen. En nooit verstompte klaauw, en overzwakte kracht, Haar sterken in den strijd met Spanjes overmagt.

Wat vreemde volken zien we in 't Oost haar tegensnellen? Elk toont de kluisters, daar de Taag hen in dorst knellen ; De striemen, diep geploegd in de opgereten huid, Der Portugezen woede, en plondei-ing, en buit!

Leen, onverbasterd kroost der helden! Volgt, Nederlanders! Digitized by Google VIERDE ZANG, 67 De Geest die 't menschdom leidt, tot 'saardniks gids vericoren, Bezigde Gama 's hart om 't Oosten op te qporen!

Het schriklijk nevelspook, dat, van het voorgebergt' Van Afrika, den moed des stouten zeemans tergt. Weerstaat hij ; hij dringt door tot die gezaligde oorden, Waar eeuwige lente lacht aan Indus rijke boorden!

Waar 't aardrijk, ongerergd, zijn vruchtbren schoot ootshiit, En 't menschdom zegent met de keor van vrucht en kruid. Als hij op bloemen rust, uit amberbossdien tegen.

Heel 't Dosten kermt vergeefs om hulp en onderstand. Wie wederstaat den Taag, aan d'Iber thans verknocht? Wie deinst niet huivrig weg voor d'onafzienbren togt?

Geen wind bezielt het zeil, en de uitgedroogde longen Zijn door 't verpestend vuur verschroeid en toegewrongen.

Zij vordren ; nu ontsluit de orkaan zijn woest gebied, En zweept zijn stormen voort, en knakt elk schip als riet! Een tastbre nacht bedekt het eeuwig ruim der wateren!

Wart aklig dag en nacht, en lucht en zee, dooreen. Het roer ontzegt zijn' dienst ; de mast en stengen kraken ; Men ziet in ieder golf een' wissen dood genaken.

Maar Houtmans geest blijft kalm, schoon de elementen brullen : Hij peinst op 't groot ontwerp dat hij nog moet vervullen. Vlak voor der stormen kaap steekt hij, bij 't woest geluid Der baren, 't vreeslijk hoofd door rif en branding uit.

Hij rijst verschriklijk op, en schijnt een rotsgevaarte, Dat met orkanen spot, gesteund door eigen zwaarte. Voor dappren Houtmans oog slechts zigtbaar, staat hij daar.

De winden vliegen en doorwoelen 't golvend haar! Digitized by Google VIERDE ZANG. K Wee, wee hem, die het waagt mijn heerschappij te trotsen!

Hij ziet den grond bedekt met huizen, zonder tal. De zee met schepen, hier vereend van overal. Beschut door 't hoog kasteel met dubblen muur en schansen ; Fier golft der Staten vlag, en wappert van de transen.

Ginds drijft de landman 't staal door harde en vruchtbre klei ; Verbaesd door dit gezigt, blijft Houtman opgetogen ; Nu wenkt de nevelvorst, — en alles is vervlogen.

Bemoedigd stuurt de vloot langs de ongekende baan, En toont welhaast haar vlag aan d'Oosterindiaan; Maar slaat het spoor niet in der woeste Portugezen.

Juicht, als 't een' vijand kan verandren in een' vrind. De landzaat staat verstomd, zag nooit Europeanen, Dan, zwaar van staal omgord, het spoor tot roof zich banen ; 't Verdelgend vuur gelijk, dat door de bosschen snort.

Vernielend als de pest, die op de volken stort. Nu stroomt een kostbre vloed uit rijke kruidvaleijen. En Houtman voert die wegnaar 't wachtend Vaderland.

Geen bloed kleeft aan dien schat der Oosterwerelddeelen, Geen stad werd uitgemoord, om onzen smaak te streelen.

Lok, zangster! Zing droeve Adeka's lot, de bloem van Banda's velden ; Zing Afrons liefde en moed, 't sieraad van Timors helden ; Beschrei Egerons lot, en zilvren ouderdom.

Beroofd van 't licht des dags, van oudte en januner krom ; Vervloek, met klem van taal, der Portugezen woede. Gelukkig was het volk van Banda, door 't bestuur Van vorst Egeron, diehqt bruisend jonglingsvuur Met d'ernst en wijsheid van den ouderdom steeds paarde ; 't Volk hield hem, als 't geschenk der goden, hoog in waarde Digitized by Google yiBBDfi ZANG.

Al 't vuur, waarmee hij eens zijn zonen heeft bemind, Stort hij verdubbeld uit op 't eenig dierbaar kind ; Zijn grijsheid bloeit in haar, en in haar zachte trekken Blijft hij 't geliefde bedd van zijne gade ontdekken.

Schoon is de teedre Adeke in 's levens lentebloei, Rank als de kokosboom in onbedwongen groei. Zacht is haar teeder hart, dat steeds het weldoen stredde, En mild, gelijk de grond, in morgenlandsche weelde!

Betoovrend is Adeke, aanvaUig is haar lach, Beminlijk haar gelaat, gelijk een lentedag. Haar ziel is zuiver als de reine zonnestralen.

Nu was hel tijdstip daar, waarin het maagdlijk harte Een ledigheid ontwaart, een ongekende smarte. Thans zoekt zij de eenzaamheid in 't digt citroenen woud, Waar zij zich met zich zelve en mijmrend onderhoudt.

Als zij bij de ochtendzon haar bloemen zal begieten. En zucht, en, ach! Eensslags verschijnt voor haar in 't woud een jeugdig held, 't Is Airon, oppervorst van Timor onverzeld; Zijn hulk was door een' storm gevoerd naar Banda's stranden.

Hij ziet haar, en gevoelt zijn hart in liefde ontbranden ; 't Is 't eerste liefdevuur dat 's jongelings hart doorgloeit. Terwijl een zelfde drift onmerkbaar 't meisje boeit.

Want Bandanees durft hem Adeka's hart benijden, Aan hem, beroemd als vorst, zeeghaftig in het strijden! Adeka mint!

Suist ieder golQe haar den naam baars minnaars tegen. De dag toont hem aan haar in 't spieglen van den stroom, En de avond in de lucht, de nacht in droom bij droom ; Ja!

Nu rijst de blijde dag, met schatrend vreugdgeschal, Waarop der priestren hand dit paar verbinden zal. Nu zien zij uit de zee vier schepen strandwaarts streven.

Men landt! Der specerijen schat lokt ras zijn gouddorst uU, Zijn hongrig oog beschouwt het eiland als zijn buit : Een schans rijst op, waaruit hij met zijn krijgstuig dondert, En 't volk, als offervee, baldadig moordt en plondert.

Nu stroomt het woedend volk, van have en erf beroofd, Naar de opgeworpen schans, met Afron aan het hoofd. Hij is alleen een heer!

Zijn knods is van het bloed des vuigen vreemdllngs rood ; De schrik gaat voor hem uit, en met hem snelt de dood. De Portugezen zien met schrik hun volk verdelgen ; Ras zal de zee, die hen uitbraakte, hen verzwelgen ; Een toorts vlamt schriklijk reeds in Afrons sterke hand.

Hij werpt haar in de schans, de vesting staat in brand. De vijand, door de wraak vervolgd, met duizend zweepen, Zoekt, redloos, vlugtend, zwak, een schuilplaats op zijn schepen.

Gijsbreght van Aemstel. Broer Peter. Arend van Aemstel. HET VIERDE BEDRYF. Gozewijn van Aemstel. Klaeris van Velzen.

Rey van Klaerissen. HET VYFDE BEDRYF. De heer van Vooren met den trompetter. Ghy hebt de stad en my geen kleinen dienst gedaen, Een deughd, die nimmer zall uit mijn gedachten gaen.

Zy stoven algelijck Voor uit, als voor den wolf een kudde onnoosle schapen. Mijn volck hoefde op dien toght geweer noch eenigh waepen, En keert met rijcken buit.

Noit kraeide haen, als hem de kam was afgebeten. Wat vogel brenghtghe dus geknevelt en gevleugelt? Hoe beeft hy! Hy is gesleept, gesleurt, en heeft veel smaeds geleden.

Een woedende gemeent en staet in recht noch reden, Wenze yemant over magh. Men breng hem hier voor my. Wie zijtghe? Waer van daen? Heer Gijsbreght, strafme vry.

Ick geef my in uw hand, geparst door hoogen nood. Ick ben een Goyers kind, vervallen in Gods tooren, Te Haerlem opgevoed. Mijn vader vielme hard, want ickme paslijck droegh.

De bittere armoe heeft mijn herssenen gewet. En of ons brein yet bouwt, dit stoot het al om verre, Met eenen dertlen voet.

Nu ben ick ymmers vry van Hollands dieren eed, En Egmond kan my hier niet heeten of verbieden.

En is Mif Sex voor het lot van Icarus beducht? Nog dartiend speelt hij aan mijn hand : En 'k zon dien dierbren grond miskennen! Onsterflijke De Groot! Schoon is de teedre Adeke in 's levens lentebloei, Rank als de kokosboom in onbedwongen groei. Hem wond bij wonden slaat ; de leeuw, vol moed, verhit, Ontwikkelt nu zijn kracht, slaat de onbeproefde Melanie Müller Sex Video Zijn' vijand Loren Minardi Porn de borst, rijt, scheurt hem de ingewanden Met ijzren klaauwen op: de tijger, dol van smart. Zoo verr' gelouterd goud het koper gaat te boven. Ons speeltuig is het schild en Sexyasia. BBRSTB DBBL. En GeveuGelt niet zijn hart van dankbre erkentnis blaken, En GeveuGelt niet neer voor God, met tranen op de kaken? Checha Biancona parlandomi la matina in letto della sua Cagnola Turca. Bevallig sneven naar de kunst! Wat volk heeft meerder regt zijn voorgeslacht te roemen?

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

0 thoughts on “GeveuGelt

Schreibe einen Kommentar

Deine E-Mail-Adresse wird nicht veröffentlicht. Erforderliche Felder sind mit * markiert.